Kiezen voor het ruime sop… Karpervissen op écht groot water

Kiezen voor het ruime sop…Karpervissen op écht groot water

Door Marco Kraal

Groot water heeft mij altijd -getrokken. Nog meer, veel meer zelfs, dan het gericht op grote karper vissen.—Het -vissen op wateren waarvan je de -overkant nauwelijks kunt zien, waarin het karperbestand van nature klein is en je absoluut niet weet wat er -rondzwemt is voor mij nog steeds de ultieme -beleving van het -karpervissen. Terwijl ik deze woorden op het -beeldscherm plak, dwalen mijn gedachten af naar -volwassen golven die tegen de -basaltblokken -kapotslaan, de onstuitbare runs die altijd weer uit het niets lijken te komen en het -onvermogen om snel te reageren omdat je onbewust -weigert te geloven dat je op die immense plas ook karper kunt haken. Ook de -herinneringen aan de vele afgetrainde -kamikazeschubjes van 12 tot 14 pond die vaak -regelrecht uit de sportschool lijken te zijn gezwommen, leiden tot langdurig gestaar naar het beeldscherm.

Groot water, grote vis?
Toch zijn het niet de verwilderde -schubkarpertjes geweest waardoor ik uiteindelijk op een water als het -IJsselmeer ben gaan vissen.—Nee, -eerlijk gezegd was dat het gevoel van ‘groot water – grote vis’. Tot niet eens zolang geleden was iedere -zichzelf -respecterende karpervisser ervan -overtuigd dat je voor de echte biggen het ruime sop moest kiezen. -Natuurlijk moest je je eerst door een berg -knollen heen worstelen, maar vroeg of laat zou het gebeuren. Toch is dat niet de reden dat ik ‘verslaafd aan -hectares’ ben geraakt. Nee, het is vooral het machtige gevoel om dat grote water te temmen, om op een plas met -hooguit een kilootje -karpervlees per 10.000 vierkante meter toch regelmatig karper te vangen. -Vissen die vele kilometers in de vinnen hebben en het predikaat ‘de sterkste -zoetwatervis van Europa’ met recht verdienen. Vissen die vaak van een -betoverende schoonheid zijn, zo mooi dat ponden en kilo’s eigenlijk een beetje bij zo’n vis vloeken en de weegzak in de tas hoort te blijven. Groot, groter, grootst
Maar wat verstaan we nu onder groot water? Voor veel karpervissers begint het verhaal op de karperput van de plaatselijke hengelsportvereniging of in de plantsoenvijver om de hoek. Meestal met een oppervlakte van een halve tot een hele hectare. Prima water om te starten, de stekken zijn -overzichtelijk en waar je ook het lood en ballen -neerlegt; de kans is groot dat er een karper -langskomt. Na een paar jaar -vissen zijn de meeste karpervissers hierop -uitgekeken en wordt meestal de stap gezet naar een water van -meerdere hectares. Vaak een water met een wat dunnere bezetting, maar ook met -grotere vissen. Veel vissers schalen zo op tot ze uiteindelijk op wateren van -pak hem beet- 40 tot 60 hectaren belanden en dan is de karperwereld meestal wel groot genoeg gegroeid. Bij verdere opschaling ontstaat vaak -ruimtevrees en het gevoel dat dit té groot is, dat het een loterij wordt. Dit is naar mijn mening dan ook de reden dat onze grote rivieren, het Haringvliet, het -Hollands Diep, het Volkerak-Zoommeer, het Lauwersmeer en last but not least, het IJsselmeer nauwelijks worden bevist. Stekkeuze: de eerste en -belangrijkste stap
De eerste stap om de twijfel iets weg te nemen, is kennis van het water. Hoe groter het water, des te belangrijker de keuze van de stek. Besef dat 99% van de karper zich vaak op minder dan 1% van het wateroppervlakte bevindt. De meeste tijd voor het vissen op groot water gaat bij mij dan ook in de -voorbereiding zitten, en dan vooral in het zoeken naar stekken. Overigens vind ik dat ook een van de leukste -onderdelen van het spelletje. Karper is en blijft een -warmteminnende vis. Hij is gevoelig voor minimale -temperatuursveranderingen. Dit is dan ook de reden dat ondiep water, vaak zelfs extreem ondiep water, graag wordt bezocht. Vooral in het begin van het jaar, wanneer het water nog koud is en een paar uurtjes zon de -watertemperatuur via directe instraling een fractie kan verhogen, zijn ondieptes dé ‘places to be’. Ondiepe platen - hoe ondieper des te beter - oefenen een enorme aantrekkingskracht op karper uit. Zelfs hartje winter zoekt karper vaak het droge op. Weinig karpervissers -zullen vermoeden dat het merendeel van de karper overwintert tussen het riet, vaak op nog geen 50 centimeter water. Alleen als het dichtvriest, zoeken ze iets dieper water op. Pas wanneer de -watertemparatuur een contante hoge(re) waarde heeft en de paai is -afgelopen (of wanneer de hengeldruk schrikbarend toeneemt), zie je dat de karpers ook andere waterdieptes gaan exploiteren. In het licht van bovenstaande ben ik er dan ook van overtuigd dat het gros van de aspirant-groot-watervissers hun heil (veel) te diep zoekt. Veel plassen en meren kennen -recreatiestranden. Vooral op warme zomerdagen kan het er een drukte van jewelste zijn. Ik geef toe, het nodigt niet echt uit om een potje te karperen tussen -duizenden badgasten. De vraag is ook of badgasten het waarderen wanneer ze tussen pop-up en bananen-rig -moeten -manoeuvreren. Overigens trekken -karpers zich weinig aan van zwemmers en andere waterrecreanten. Integendeel, het gewroet van de vele zweetvoeten in de bodem werkt juist stimulerend op het aasgedrag. -Legendarisch zijn de -vangsten die vroeger tussen de -windsurfers op de Amstelveense Poel werden geboekt. Zonder gesurf werd er steevast minder gevangen. Pak daarom maar eens op een zomernacht zo’n strandje mee. Voeren hoeft niet -(daarover later meer), instant vissen met kippenmaïs of een opvallende floater doen vaak wonderen.


‘Het vissen op water waarvan je de overkant nauwelijks kunt zien, is voor mij nog steeds de ultieme beleving van het karpervissen’

Basaltdijken
Iets later in het jaar, en dan heb ik het over de zomer en de herfst, zijn ook de basaltdijken goede stekken. Probeer met een peilhengel, of nog beter met de zwembroek, uit te -vinden waar de basaltblokken overgaan in de -zandbodem. Zonder meer een van de betere plekken. Karper aast hier op vaak opvallend kleine- waterslakjes en vlok-reeften. Een bergje maïs of—-rechttoe-rechtaan ballen -aangeboden op de overgang naar het zand -vormen een welkome afwisseling op het menu. Laat je op dergelijke plekken niet -afschrikken door fuiken. Karpers -zwemmen -gelukkig bijna nooit een fuik in. Wel is de bodem in de buurt van een fuik vaak -voedselrijker door de vis die uit de netten wordt gespoten en weer een voedingsbodem voor diverse dierlijke organismen vormt. Zelfs vis ik dan ook graag tegen zo’n fuik aan. Besef wel dat zelfs de sterkste lijn kapot schuurt op basalt. Let dus op de positie van je -hengels wanneer je vlak onder de -blokken vist. Daarbij ben ik van mening dat dik nylon, zet er gerust 45/00 op, slijtvaster is dan de sterkste superbraid. Het gehele, zeer uitgebreide, artikel van Marco Kraal én nog veel meer, valt te lezen in KW 41 dat vanaf 25 maart 2005 voor € 8,75 te koop is bij uw hengelsportwinkelier en in de kiosk.

‘Zoek ze niet altijd op diep water…’