Verticalen in Extremadura (deel 2)

Verticalen in Extremadura (deel 2) 

Door Thomas Sintobin

De eerste paar dagen brengen we door op Zújar, het kleinste stuwmeer van de streek. Met z’n 1449 hectare is het nog altijd een aanzienlijke plas water, zeker voor bellyboaters, maar gelukkig kunnen we ons concentreren op een zone die de visgidsen als een absolute hotspot aanwijzen: een brug.

Ook nu moeten we weer slikken als we de dieptes zien opdoemen op de schermpjes van onze visvinders.


Brugpeilers secuur afvissen.


Vlak onder de kant is er een extreem steil talud, dat absurd vlotjes afloopt naar tien meter en dan plat blijft tot de volgende glooing naar het diepste punt van 15 meter: de oude rivierbedding.


Groot... maar toch niet onoverzichtelijk.


Daarna gaat het weer steil omhoog tot bij de overkant. We besluiten te verticalen en krijgen daar geen spijt van, want we krijgen regelmatig actie. Zo vereren een aantal blackbassen ons met een bezoekje. Deze van oorsprong Noord-Amerikaanse soort is naar verluidt in 1955 vanuit Frankrijk in Spanje geïntroduceerd en heeft zich hier uitstekend ingeburgerd.

Daarnaast vangen we twee ‘channel cats’ – een Amerikaanse meervalsoort (Ictalurus punctatus) die vermoedelijk in de jaren ’90 in dit meer terechtis gekomen en tot een kilo of 25 zwaar kan worden.


Channel cat.


De twee exemplaren die wij bovenhalen waren klein – het bewijs dat deze soort zich hier weet voort te planten? – maar Maikel verspeelde een zeer zwaar aanvoelende vis doordat zijn haak werd rechtgetrokken na een paar seconden drillen.

We zijn ervan overtuigd dat de verantwoordelijke een grotere Amerikaanse meerval moet zijn geweest: de haak was allicht niet goed gezet geraakt in de keiharde bek, zodat alle druk op de punt was komen te staan.


Ze zeggen dat ze 25 kilo zwaar kunnen worden.


Zeker weten doe je het natuurlijk nooit, maar volgens onze gids barst het van de grote channel cats op die stek, want ze hebben er voortdurend ‘last’ van tijdens het karper- en barbeelvissen met pellets en boilies...

En over die beide soorten baarddragers gesproken: die blijken in Extremadura niet vies te zijn van een maaltje vis! We krijgen namelijk eerst twee karpertjes op bezoek.


Ja, karpers lusten shads.


Als klap op de vuurpijl mag ik een prachtige comizobarbeel vangen die mijn over de bodem schuifelend bruin-zilveren Komodo-shadje te grazen nam en mijn materiaal minutenlang zeer zwaar op de proef stelde.


De eerste Comizo die we zagen.


Deze barbelensoort kan in uitzonderlijke gevallen wel 20 kilogram zwaar worden bij een lengte van een stuk boven de meter. Volwassen exemplaren van Luciobarbus comizo eten voornamelijk vis; het eerste deel van de Latijnse naam, ‘snoekbarbeel’, geeft dat in feite al aan.

Het moet dan ook geen pretje zijn om als voorntje of als kreeftje door het leven te gaan in Extremadura, want welke vissoort je ook tegen het lijf zwemt, hij is vast van plan om je op te eten.

De week voor onze komst vangt een van de gidsen zelfs een zeelt op een rubberen kreeftje!


Zelfs zeelten pakken er kunstaas.


Onze techniek voor die eerste dagen bestaat trouwens uit een onvervalst potje 'do-nothing': we houden de shad vrijwel stil op zo’n tien centimeter van de bodem en flipperen rustig langs het talud – precies zoals je ‘thuis’ snoekbaarst ’s winters.

Noordelijke technieken ‘down south’ dus... Saillant detail is dat de locals amper iets vangen met hun eigen technieken (werpend vissen met shads – door hen ‘pikis’ genoemd – in alle waterlagen).


Hoe sterk is de eenzame bellyboater.....


Ze kunnen hun ogen niet geloven. Karpers en katvissen op de shad? Meerdere blackbassen per dag in de winter? Dat waren ze niet gewend, en ze werden behoorlijk nieuwsgierig naar het verticalen ‘Nederlandse stijl’...