Koning van de Stroming 15: Observeren is ook leren

Koning van de Stroming 15:

Observeren is ook leren

Door Frans Vogels

Ook bij het barbelen geldt de term: ‘Vissen en niet vangen’. Resultaten behaald in het verleden geven geen garantie voor de volgende visdag. Soms moet je hard werken voor een paar beten en de dag erop of ervoor gaat/ging het veel gemakkelijker.

Ik vis nu 6 jaar alleen maar op barbeel en heb me helemaal verdiept in deze vis. Niet alleen in Nederland, maar ook in Engeland, België, Luxemburg, Duitsland en Italië beviste ik rivieren puur op barbeel. Elk land en elke rivier heeft iets, de ene is meer geliefd dan de ander. Logisch, en dat geldt ook bij mij.

De eerste 4 jaar viste ik veel op de Waal en soms op de IJssel. De laatste 2 jaar ben ik gaan zwerven langs de rivieren en door de landen. Ik ben steeds meer van de kleine en smalle, ondiepe rivieren gaan houden.


Ondiep water maakt de barbeel groener en donkerder.

Naast de rust en de natuur is ook de beleving van de aanbeet en dril in de verste verte niet te vergelijken met een aanbeet van de Waal of IJssel. Al moet ik wel eerlijk zeggen dat de barbelen op de IJssel kort bij de ultieme beleving komen. Dat komt vooral om dat de kribben er erg kort zijn en de barbeel veel meer de mogelijkheid heeft om in de stroming te blijven.

Toch, als je een barbeel aan je montage hebt in amper 60 cm water, is dat onvergelijkbaar. De vis kan niet naar de diepte en zwemt dus altijd van je af. Dat kan stroomaf- of opwaarts zijn. Je lijn doorklieft het water en als dat ook nog eens helder is kun je de barbeel in heel zijn vlucht volgen. Dat is zo kicken!!

De hele dag door kun je alles zien en meemaken wat er onder water gebeurt. Hoe en waar de barbeel zich ophoudt, wel of niet zwemt en hoe hij eet. Ook hoe de barbelen reageren op voer en voeren. Maar ook hoe ze reageren op de inworp. De laatste 2 jaar heb ik vooral in de zomerdagen veel gevist in de Ardennen. Het liefst reed ik er naar toe op een zonnige dag. Dan kon je de barbeel heel goed volgen omdat de bodem dan helemaal zichtbaar was.


Helder, zonnig weer en ondiep water maakt goed zicht mogelijk.

Op bewolkte dagen is dat een heel stuk moeilijker. Nadeel was dan wel vaak dat de barbelen je zagen, voordeel was voor mij dat ik uren en uren kon waarnemen wat er gebeurde. Dat vond ik net zo belangrijk, eerder belangrijker. Ik pluk daar nu steeds meer de vruchten van en heb er erg veel gezien en geleerd.

De strook waarin de barbeel zich ophoudt, de strook waar hij eet. Hij verplaatst zich een 30-tal centimeter om te eten en laat zich weer terugzakken in zijn ‘rustzone’. Kijk ik dan naar het oppervlak van het water, dan rust de barbeel in het gedeelte waar er nagenoeg geen stroming is.


Achter een obstakel heb je een stil gedeelte, een barbeelzone.

Het stille gedeelte is ook vaak te herkennen aan een vlak zonder rimpeling. Maar ook de strook luchtbelletjes verraden de barbeelzone. Op deze manier is een rivier met laag water te vertalen naar een rivier die diep of gekleurd is. Ook op die wateren is dan de barbeelzone makkelijk vindbaar.


Ruw water duidt op een ruwe bodem...


... en is het te ruw, dan is er geen barbeel.


Rustig oppervlak? Dat is een diepte of er ligt fijn grind op de bodem.

Maar er is meer te zien. Ook hoe de barbelen reageren op voer en niet te vergeten op een plons in het water. Om bij dat laatste te beginnen, de barbelen zijn meteen weg. Een barbeel is van nature erg wantrouwend en maakt zich bij onraad meteen uit de voeten. Loop je opzichtig rond met nogal wat geluid op een ondiepe, smalle rivier, dan kun je de barbeel vergeten.

Naast verdekt opstellen is rust en stilte ook erg belangrijk. Ik zorg er dan ook altijd voor dat ik zover mogelijk van de waterkant wegblijf en me waar mogelijk verschuil tegen of in de achtergrond. Of ik nu een klein loodje of een korfje gebruik, er volgt altijd een plons op en in het water, gevolgd door iets eetbaars voor de barbeel.

Je kunt er donder op zeggen dat je na de eerste of tweede snelle vangst geen beet meer zult krijgen. De argwaan is dan gewekt. Op alle dagen dat zicht mogelijk was, kon ik waarnemen dat de barbeel zich meteen uit de vinnen maakte na een plons. Taak voor mij dus om er op te reageren. Mijn grote voordeel tijdens deze zichtdagen was dat het water veel minder hard stroomde dan normaal.

Het was dan ook bijna altijd mogelijk om erg licht te vissen. Loodjes van 20-25 gram en soms zelfs 15 gram. Deze veroorzaken al een veel zachtere landing op het water. Door het lood ook nog eens af te stoppen tijdens de worp werd de “klap” nog minder. Toch bleek dit niet voldoende, regelmatig voer bij schieten kort voor en na de inworp, was niet afdoende… De barbelen bleven argwanend.

Die ene plons was toch steeds net wat harder dan het eten. Ik ben daarna mijn lood verder gaan inwerpen, afremmen tijdens de landing en zodra het lood het water raakt trek ik dit een paar meter terug en laat het lood zoveel mogelijk rustig naar de bodem zakken.

Vaak is de diepte niet meer dan een meter. Enige vaardigheid en handelingssnelheid is dan wel vereist. De barbelen bleven nu veel rustiger en kwamen ook sneller terug als ze weg zwommen. Sindsdien pas ik dit te allen tijde toe op de Roer, Grensmaas, Ourthe en Amblève.

Ook heb ik mijn onderlijn aangepast. Deze is geen standaard 31/00 meer maar ik ben teruggegaan naar 24/00 en soms zelfs 22/00. De lengte is hetzelfde gebleven: 150 cm. Zodra beten uitblijven wordt de lengte 200 cm. Tevens heb ik de slip van de molen twee tikken minder strak gezet zodat bij een eventuele run de barbeel meteen voldoende lijn kan meetrekken.


De slip iets losser, de hengel krommer.

Hierdoor lijkt de dril spectaculairder maar dit is puur noodzakelijk om met dunnere lijnen te kunnen vissen. Want één ding is zeker, de barbeel lijkt veel sterker dan zijn soortgenoten van de grote, diepe rivieren. Op deze ondiepe rivieren zal een barbeel altijd van je af zwemmen, ook liefst richting obstakels. De snelheid waarmee dit gepaard gaat is erg groot. De lijn snijdt door het water, de molen giert het uit.


Prachtige Ardenner!

De barbeel kan op een gegeven moment gestopt worden waarna je lijn kunt terugnemen. Meestal is dit maar een paar meter, dan volgt weer een gierende run. De barbeel geeft zich dan over, komt goed mee, totdat hij kort bij de kant komt… dan begint het hele spel weer opnieuw.

De barbeel neemt de vinnen, trekt zo weer een meter of 20 lijn mee en de strijd begint weer opnieuw. Een dril duurt gemiddeld een minuut of 3, afhankelijk van de afvoersnelheid van het water. In de zomermaanden ligt deze rond de 20 kuub per seconde. Met hoger water is deze gemiddeld 25 tot 30 kuub per seconde.

Tijdens de wintermaanden ligt de afvoersnelheid vaak tussen de 45 tot 80 kuub per seconde. De aanbeten zijn dan zo snoeihard… de runs zo gigantisch fel… daar heb je dan heel graag koude handen en voeten voor  over, barbeeltopsport ten voeten uit!!!

Is de afvoersnelheid minder dan 7 kuub per seconde, dan weet je zeker dat er goed zicht is. Zo leer je niet alleen als je vangt, maar ook zeker als je niet vangt! Je moet jezelf dan wel de tijd geven, blijven observeren en ook wat dingen uit proberen. Wat je ziet en waarneemt op een rivier met amper één meter water kun je dan te allen tijde gebruiken op elke andere rivier!

ANDEREN LAZEN OOK

image description
Kantsnoek 106
Marc Borst -